Ik kan het punt waarop ik gekomen ben als beeld omschrijven. Ik zie het als een plaatje, twee plaatjes eigenlijk...

Het eerste plaatje: twee mensen zitten tegenover elkaar. De een betaalt de ander ergens voor. Dat kan probleemloos gaan, maar misschien is het bedrag een struikelblok. Het zou te hoog kunnen zijn en de eerste zegt: ‘Ik zie toch maar van de koop af.’ De ander zegt: ‘Als je wat minder geeft, ben ik ook tevreden.’ Of omgekeerd, de eerste: ‘Als jij er iets van afdoet, ga ik er wel in mee.’ De gebruikelijke koehandel. Dus twee mensen tegenover elkaar en het bedrag in het midden is de kwestie, het object van overleg en overeenkomst, evt. de bron van ongemak. Het ongemak ligt in het midden. Dit is in wezen een beschrijving van het begrip koopgeld.

Het tweede plaatje: twee mensen zitten tegenover elkaar. De een betaalt de ander een bedrag, maar de hoogte ervan ligt tevoren niet vast. De een vraag aan de ander: ‘Doe eens een voorstel. Wat is voor jou mogelijk?’ De ander repliceert: ‘Wat heb jij nodig?’ Het bedrag fluctueert, schuift heen en weer. En elk van de twee mensen zal voor zichzelf een afweging moeten maken en een keuze, en die keuze voor zichzelf moeten verantwoorden. Dat is lastig. Het ongemak ligt nu niet in het midden, maar bij elk van beide personen, elk in volledig eigen verantwoordelijkheid. In die sfeer functioneert schenkgeld.

Als ontvanger moet ik nadenken over mijn behoefte en daar transparant in zijn, als gever over mijn mogelijkheden. Ik raak betrokken bij de ander op een nieuwe manier. Of anders gezegd: er ontstaat een andere kwaliteit in de ruimte tussen ons: existentiëler, betrokkener.

Geld, kun je zeggen, functioneert in de sociale ruimte. De manier van omgaan ermee schept de kwaliteit van die ruimte.

In gesprek zei iemand me een keer: ‘..Maar dan leg je bij mij op het bord wat jouw verantwoordelijkheid is.’ Volgens mij is dat een misvatting. Het is wel degelijk ieders eigen verantwoordelijkheid: ik ben verantwoordelijk voor wat mijn behoefte is, de ander voor wat hij kan/wil geven. Ik kan die ander niet zeggen: ‘Ik vind dat je zoveel of zoveel moet schenken’, dat is onzin. In dat besluit is de ander volledig autonoom, zoals ik dat ben in het bepalen van wat mijn behoefte is.
Tussen beide grootheden, behoefte van de een, mogelijkheden van de ander, kan een spanningsveld bestaan: de ander kan met zijn mogelijkheden niet voldoen aan wat mijn behoefte is. Dat is lastig, maar helemaal in orde. Dat moeten we leren dragen.
 Het is een manier van omgaan met elkaar die we niet gewend zijn. Het vraagt acceptatie, vertrouwen en betrokkenheid - ik zie een leerweg ontstaan.

Ik heb voor mijn gevoel nu genoeg ingrediënten om tot een praktische uitwerking te komen. Het onderzoek mag experiment worden, in gesprek met de deelnemers.
...

De beginvraag was: Als de Werkplaats een vrije ruimte is (vrij in de zin van: een ruimte voor individuele ontwikkeling en inspiratie), wat is een juiste betalingsvorm, die deze ruimte in haar kwaliteit kan onderhouden?

Ik wil eindigen met een laatste vraag, die ik open laat en meeneem: Als ik dit gedachtespoor over geld volg, kom ik tot zaken als betrokkenheid, vertrouwen, overleg en verantwoordelijkheid, alles bij elkaar elementen van gemeenschapszin. Is die gemeenschapszin het resultaat vàn of de voorwaarde vóór zo’n andere manier van omgaan met geld en met elkaar?

Dit is het laatste bericht in de reeks van mei t/m augustus 2012, over geld en vormen van betaling.
Beste lezer, ik hoop dat je deze hele gedachteontwikkeling gevolgd hebt. Misschien heb je alle berichten gelezen, zelfs gereageerd, of heb je alleen een enkele gedachte tot je genomen. In al deze gevallen ben ik je dank verschuldigd, want die virtuele aandacht heeft mij op dit spoor gehouden. Met de helderheid die het me opgeleverd heeft, hoop ik nu in de praktijk iets te kunnen doen.
Wordt dus vervolgd, elders, in gesprek en praktijk.


Erik Lemmens, 30-8-2012

terug naar pagina Blog