Met die spontane actie lukte het me die beoogde vrije ruimte te scheppen. Maar hoe houd ik zo'n ruimte in stand?

Dat was de vraag die me bezighield n.a.v. de ervaring van die ene maandag-actie. Ik zag het niet voor me dat ik de werkelijkheid van het betalen en omgaan met geld kon veranderen. Maar ik zag wel dat ik mijn denken erover kon veranderen: in mijn voorstellingen kan ik geld en betaling loskoppelen van mijn concrete werk.
Dat klinkt abstract, maar het werkt zo: ik leef bewust met de voorstelling dat de mensen die deelnemen aan de Werkplaats (hetzelfde geldt ook voor andere situaties waarin ik betaald wordt omdat ik een dienst verleen of iets maak) mij niet betalen voor het werk of voor de uren, maar dat zij mij geld geven opdat ik zó in mijn levensonderhoud kan voorzien dat ik vrij mijn werk kan doen. Omdat ik vrij mijn werk kan doen, voel ik me ook vrij en kan ik in de mensen optimaal bieden staan wat zij van mij vragen.

Met die voorstelling werd ook een ander stuk van mijn werkzaamheid in zekere zin vrij. In de praktijk doe ik veel werk waar ik niet voor betaald word of dat niet direct geld oplevert, bijv. kunstprojecten die experimenteel van aard zijn of heel kleinschalig. De gebruikelijke manier van omgaan met zulke projecten is om eerst op zoek te gaan naar geld – subsidies, sponsoring, enz – en pas als dat rond is aan het werk te gaan. Veel projecten blijven daarmee onuitgevoerd omdat de financiering niet rond komt. Dat zou mij frustreren, ik wil kunnen doen wat ik vind dat ik moet doen, niet afhankelijk van de vraag of er al dan niet geld voor is (indachtig Pippi Langkous’ inspirerende uitspraak...)
Door anders naar het totaal van mijn activiteiten te kijken kon ik de innerlijke frictie die ontstaat door ‘het niet betaald worden’ soms loslaten. Ik leefde dan met het beeld: sommige activiteiten genereren inkomsten, andere niet, beide zijn waardevol. Maar de inkomsten uit de eerste activiteiten zijn geen betaling voor dat werk alleen, zij zijn een bijdrage in mijn levensonderhoud om de mogelijkheid te scheppen àl het werk te doen dat ik wil doen. Ik koppel dus in mij denken inkomen los van arbeid (in de politiek wordt af en toe gesproken over basisinkomen, dat zou m.i. een grote stap in de goede richting zijn, de discussie daarover is buitengewoon interessant...).

Door dat loskoppelen van geld en arbeid in mijn denken gebeurde er nog iets. Er ontstond een dieper gevoel van dankbaarheid jegens de mensen die mij betalen en het mij daarmee mogelijk maken het werk te doen dat ik wil doen. Zij stellen mij in staat in vrijheid te werken. M.a.w. wat ik ontvang is ‘warm’ geld. Ik beleef dat de band met deze mensen existentiëler wordt, zoiets als: in zekere zin dragen zij mij, omdat ze wat ik doe waardevol genoeg vinden om mij in mijn levensonderhoud te steunen.

(In de praktijk is er ook nog een ander soort situaties. Het komt regelmatig voor dat ik als kunstenaar uitgenodigd wordt voor een activiteit, maar er is geen betaling mogelijk. 'Het is toch goed voor je naamsbekendheid', is dan het argument... In die situaties klopt er iets niet en dat argument is een excuus voor het niet met voldoende bewustzijn doordringen van die situatie. Het maakt een groot verschil of ik in een project stap omdat ik voel dat het gedaan of gemaakt moet worden, een soort innerlijke noodzaak waar ik voor kies, of dat ik gevraagd wordt iets te leveren waar niets tegenover staat. Zelfs als er geen geld is, kan toch de kring gesloten zijn. De ‘energetische kring’ heb ik dat horen noemen en dat vind ik een mooie benaming. Het vraagt van de ander bewustzijn en creativiteit om er iets tegenover te stellen. Als dat gebeurt, doe ik het werk met plezier. In het andere geval voel ik mij benadeeld of zelfs gebruikt.)

Deze loskoppeling van geld en arbeid was een aantal jaren mijn innerlijk kompas, en het werkte. Toch zie ik nu dat ik iets essentieel over het hoofd gezien heb – daarover in mijn volgende stukje.

Erik Lemmens, 20-5-2012

terug naar pagina Blog