Na vakantie en een lange reis door Ierland, pak ik de draad van het schrijven weer op. In de tussentijd heb ik gesprekken gevoerd met Tom Lane (Ierland), die een aantal cartoons gemaakt heeft over de huidige bankencrisis (heel instructief, kijk op youtube: bailing out the banks, by 353tomlane) en met mensen van Transition Towns die bezig zijn met alternatieve geldsystemen. Voor het eerst ging het me dagen dat de meeste mensen die ik over geld spreek, het over het geldsysteem hebben. Heel goed dat ze daarmee bezig zijn, ik had me er tot voor kort nooit in verdiept. Ik kreeg op mijn reis een boek in handen van Thomas Greco: The end of money and the future of civilization, over het ontstaan en de ontwikkeling van ons geldsysteem en over alternatieven; een aanrader, met enige inspanning zelfs door een leek als mij goed te begrijpen.

Ik ging me door die gesprekken realiseren dat ik over een heel ander gebied nadenk en schrijf, namelijk over wat er in en tussen mensen gebeurt als in de interactie geld een rol speelt. Hierover hoor of lees ik zelden. Ik vond het bij Jelle van der Meulen in zijn boek ‘Herzwerk’, en bij Eckhart Tolle in ‘Nieuwe Aarde’. Toch lijkt me dit gebied van het innerlijke en intermenselijke een noodzakelijk complement voor alle alternatieve systemen. Want dat zijn en blijven systemen en hun waarde staat of valt met de bereidheid mijn eigen relatie tot geld en tot het systeem onder de loep te nemen.
En omdat ik tevoren al op mijn klompen aanvoelde dat hoe ik ermee omga en hoe ik er mee zou kùnnen omgaan, behoorlijk uit elkaar liggen, is het tegelijk een zoektocht naar een alternatief voor de status quo.

En dat is een aparte bezigheid... In de praktijk functioneert die status quo van de Werkplaats namelijk best goed. Om een (half)jaar deel te nemen aan de Werkplaats, betaal je een vast bedrag, de cursusprijs, of betaal je een gereduceerd tarief als dat nodig mocht zijn. Daar heeft tot nu toe niemand over geklaagd. In Amerika zegt men: ‘don’t fix what ain’t broke’, niets willen repareren wat niet stuk is. En dat lijkt precies wat ik nu aan het doen ben. Je zou dus kunnen zeggen dat ik vlijtig aan het zagen ben aan de poten van de Werkplaatsstoel. Waarom? Omdat ik ontdek dat de grond onder die poten helemaal geen stevige grond is. Ideaal en ideëel gezien zijn het eigenlijk wiebelpoten.

De poot die ik vandaag wil gaan verzagen hangt met de vragen over kwantiteit samen.
Ik stel mijzelf de vraag: heb ik een gedegen grond om die vaste deelnameprijs te handhaven? 
Dat lijkt een wat eigenaardige vraagstelling, maar voor mij als kunstenaar is het dat niet. Als ik aan een schilderij bezig ben, kom ik onherroepelijk op een punt dat ik terug stap en zie dat het werk best al mooi is. Dan rijst meteen de vraag: zal ik het werk zo laten, is het af? De meest radicale manier van kijken is dan mezelf de vraag stellen: heb ik een gegronde reden om het zo te laten zoals het nu is? Is het antwoord nee, of twijfel ik, dan moet ik de moed hebben om weer aan het werk te gaan en het schilderij te veranderen. Ik neem voor lief dat ik zelfs met een kleine verandering heel wat overhoop kan halen en dat ik het risico neem dat het ook kan mislukken. 

De ervaring leert dat er in een sociale context altijd weerstand zal zijn tegen verandering van het vertrouwde, zelfs als men weet dat de status quo niet ideaal is. Verandering is lastig, brengt ongemak en onzekerheid met zich mee en confronteert me met mijn (on)vermogen daar mee om te gaan. Met de vraagstelling in deze vorm adresseer ik dus allereerst deze weerstand.

Feit is dat ik de laatste jaren steeds vaker de vraag krijg: ‘Ik zou wel deel willen nemen, maar de hoogte van het bedrag is voor mij een bezwaar. Kan ik op een of andere manier toch meedoen?’

Ik kan de afweging maken: zal ik die persoon voor wat minder geld laten meedoen?
 Stel nou dat ik nee zeg op die vraag. (Je moet immers geen dief worden van je eigen portemonnee, heb ik mensen horen zeggen. Ik vind dat overigens een dusdanig verknipte uitspraak dat ik er even bij stil wil staan. Wat betekent dat, een dief zijn van je eigen portemonnee? Dat betekent dat je in dat geval niet binnenhaalt wat je denkt dat (binnen)haalbaar is. Alsof datgene wat je denkt van de ander te kunnen krijgen al in jouw portemonnee zit! Als ik me probeer in te leven in het mensbeeld dat daar achter zit, word ik bijna blij dat het crisis is...)

Stel dus dat ik nee zeg, wie heeft daar dan iets aan? De betreffende potentiële deelnemer niet, want die loopt misschien een waardevolle ontwikkelingsmogelijkheid mis. De groep niet, want die zal de inspirerende inbreng van een nieuwe deelnemer missen. En ik niet, want ik loop inkomsten mis, ongeacht de hoogte daarvan. Kortom: er zijn alleen maar verliezers.
 Volkert van Dam, voormalig bedrijfseconoom, zei hierover: dat is een teken dat er een fout in het systeem zit.

Stel nou dat ik tegen die persoon zeg: je kunt meedoen voor minder, we regelen dat onderling wel. Dat is wat ik tot op heden meestal gedaan heb. Dan doen zich een paar lastige vragen voor: Hoe maak ik de afweging voor hoeveel? Moet ìk die wel maken, of doet de ander dat? En hoe ga ik om met die aparte regeling in een groep deelnemers die meer betaald hebben? 
Hoe heb ik überhaupt de hoogte van de deelnameprijs bepaald?
Genoeg vragen voor de volgende keer.


Erik Lemmens, Driebergen 6-8-2012

terug naar pagina Blog